Dagboek betr. expeditie naar de Antillen, 19 Nov. 1922 – 24 Aug. 1923

19 november 1922

Honderd jaar geleden vertrok de Leidse antropoloog J.P.B, de Josselin de Jong voor een Deens-Nederlandse archeologische expeditie naar het Caribisch Gebied. Daar ontdekte hij dat het Nederlands Creools van de Deense Antillen, de huidige US Virgin Islands, nog steeds gesproken werd. De unieke verzameling Creoolse teksten, opgeschreven zoals hij ze hoorde, verscheen in 1926, vergezeld van een woordenlijst en Engelse vertalingen. Het is het eerste materiaal waarvan we zeker weten dat het écht gesproken Virgin Islands Dutch Creole laat zien.

De komende maanden toon ik op deze website mijn transcriptie van het dagboek van de expeditie van De Josselin de Jong; elke keer honderd jaar nadat het door hem is genoteerd. Meer informatie is op deze website te vinden, net als zijn publicaties die online beschikbaar zijn.

This diary is of course not only of interest or importance for Dutch speakers, but especially for the people of the US Virgin Islands and the islands which were visited by De Josselin de Jong. This is why I try to use my spare time to translate this text into English.

De tekst is (voorlopig) zonder aanpassingen genoteerd en laten dus de taal en de opvattingen zien zoals die aan het begin van de twintigste eeuw gewoon waren. Verschillende pagina’s van dit dagboek zijn inclusief aanvullend materiaal door mij voorgelezen in de podcast Di hou creol en de desbetreffende afleveringen zijn via deze website natuurlijk nog te beluisteren en te bekijken.

Bron:

Josselin de Jong, J.P.B. 1922-1923. Dagboek betr. expeditie naar de Antillen 19 Nov. 1922 – 24 Aug. 1923. 20 x 29 cm, 157 pp.

          >EN: Diary on expedition to the Antilles. >UBL: Collection KITLV, signature: OR 385 (5-6).

Zondag 19 November 1922

Dinsdagavond 14 Nov. 8.41 uit Amsterdam vertrokken. Slaapwagen en restauratiewagen. Slaapcoupé slecht verlicht, feitelijk te slecht om te lezen. Bed goed, maar als men niet zeker is van zijn coupé-genoot is ’t gewenscht niet te gaan slapen, want men is feitelijk aan hem overgeleverd. Restauratie-wagen slecht; haast niet mogelijk te eten door het schudden. Rijkelijke maaltijd voor f 3,50. Den volgenden morgen om 6.23 te Hamburg en om 8.41 vandaar vertrokken naar Warnemünde. Spoorwagens vuil en in alle opzichten verwaarloosd. In Warnemünde moest weer alle bagage gevisiteerd door de duitschers; geen moeilijkheden. Op de boot Deensche douanen voor de handbagage. De groote bagage [-*…*] wordt pas in Copenhagen nagekeken. Op de boot naar Gjedser is een uitstekende eetzaal, ongeveer midscheepsch; consumptie ook goed. Voor iemand die vatbaar is voor zeeziekte is het aan te bevelen dadelijk zijn intrek te nemen in de eetzaal; daar is men veel beter dan op het dek of in de rooksalon, die klein en vol is. De reis van Gjedser naar Kopenhagen is niet bijster interessant. Het landschap doet dikwijls aan het Nederlandsche denken, maar de huizen zijn anders. In Kopenhagen afgehaald door Hatt. Bagage gevisiteerd en betaald (in Hamburg had ik geen geld genoeg om tot Kop. te betalen; 2 *……* hutkoffers kostte 42000 mark, zoodat ik tot Gjedser betaalde en verder op de pof). Hatt had een kamer voor me besproken in “Danevicke-Grundtvejs Hus”, Studiestraede. Heel goed. Kamer kostte 3.50 Kr. per dag. Eten ook niet duur; ik heb er echter alleen ontbeten. Voor + *….* 1.40 Kr. krijgt men brood en boter vrijwel ad libitum, een ei, en een kan met koffie en toebehooren (2 flinke koppen).

’S avonds met Hatt ergens gegeten. Volgende morgen naar

                                                           2

het museum en daar de ethnografische verzameling bekeken. Ook kennisgemaakt met Mackeprang, Thomsen en Hatt’s collega v. klassieke archaeologie. Mackeprang spreekt geen Engels. Thomsen zeer gebrekkig. Het verdient aanbeveling maar dadelijk Duitsch te spreken. Trouwens in ’t algemeen kreeg ik den indruk dat men met D. in Kopenhagen verder komt dan met Engelsch. Overigens is het hoogst lastig als men geen Deensch kent, want kelners, tramconducteurs, politieagenten, winkeliers etc. verstaan en spreken voorzoover mijns ondervinding reikt enkel Deensch. ’S avonds groot afscheidsdiner van Hatt’s vrienden. Zulke dingen kunnen ze goed. Kort menu, niet al te veel getoast zoodat men na het eten nog lang gezellig bijeen kan zijn en zich niet overeet of overdrinkt. Het was prettig, hoewel ik zoowat niets verstond. Om 12 uur gingen we naar huis Den volgenden morgen in ’t hotel gebleven; smiddags met de H. twee visites gemaakt, waarvan één thuis getroffen: een neef v. Mevr. Hatt, oud-marineofficier nu commandant van het curieuze zeelui-dorpje in Kopenhagen Den avond bij de Hatten doorgebracht. [-Den] Zaterdagochten [-*…*] daar met ons drieën geposeerd voor een photograaf van de Berl. Tidende. In mijn hotel gegeten en daarna met een taxi naar de haven.Er lag een klein stoombootje klaar om passagiers voor de Lithuania met hun bagage over te brengen. Het was winderig en het bootje schommelde hevig. Het kostte eenige moeite langszij te komen en de passagiers moesten één voor één den trap opgeheschen worden. Intusschen sloegen de golven over het dek van het bootje: het was niet aangenaam. Later deed het bootje nog verscheidene tochten, telkens met passagiers die gebracht of gehaald moesten worden. Het woei hoe langer hoe harder en toen de laatste lading van boord ging (blijkbaar familieleden van scheepsofficieren) was het donker en spoelden de golven voortdurend over het dek. Er moesten ook

                                                           3

kleine kinderen mee, die natuurlijk barbaars[-ch] schreeuwden; en vrouwen die niet goed durfden. Het leek mij lang niet ongevaarlijk, maar de menschen die het weten kunnen dachten er blijk- baar anders over.

De Lituania is een boot v.d. Baltic-Americ. Line, behoorende aan de Øst-Asiatisk Komp. Ze komt nu van Dantzig en Libau en heeft vooral veel Balto-Slavische 2e en 3e kl. passagiers aan boord. Daarop is het schip dan ook in de eerste plaats ingericht. Er zijn maar weinig 1e  kl. passagiers en het voor hen gereserveerde deel v.h. schip is betrekkelijk klein. Netjes, maar eenvoudig; gezellig ook. De eerste klasse hier lijkt veel op de tweede kl. op de Holl. booten. Luxe-hutten zijn er niet. De allerbeste hutten zijn = ruime 1e kl. hutten op de ‘Noordam’ e.d. [-Passagiers] [-*…*] [-*…*] De meeste stewards zijn Russen of Balten en spreken maar heel gebrekkig Duitsch. De algemeene zindelijkheid is ook beslist minder groot dan op de Nederl. schepen, maar niet onvoldoende. De officieren, dokter en purser zijn alle Deensch. De overige 1e kl. passagiers [-zijn] vormen een internationaal gezelschap. Er zijn Russen, Duitschers en Amerikanen, <Polen>. Het weer is totnutoe goed, maar wat winderig. De route [-ligt] is die om Schotland en Ierland heen.

In deze aflevering van mijn podcast behandel ik 19 november 1922. Zie hiervoor ook mijn post op deze website van 26 mei 2021.

Di hou creol – 10. De brief van Anthon Magens

Later meer, maar hier alvast de tekst van de Creoolse brief en enkele verwijzingen.

Het genoemde psalmboek uit ‘aktiin hondert an fii an dertig’ komt inderdaad niet uit 1835, maar uit 1834: Creol Psalm-Buk, of een Vergaedring van Oûwe en nywe Psalmen na Creol-Tael. [Kopenhagen, 1834. Ka prent bie P.T. Brünnich]. Copenhagen: P.T. Brünnich, 1834. 121 + 6 pp. Schuchardt noemt deze versie in zijn artikel Schuchardt, Hugo. 1914. “Zum Negerhöllandischen von St. Thomas”, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 33. p. 123-135.

Het genoemde Nieuwe Testament is hoogstwaarschijnlijk [Magens Jochum Melchior]. 1818. Die Nywe Testament van ons Heer Jesus Christus ka set over in die Creols tael en ka giev na die ligt tot dienst van Die Deen Mission in America [Die tweede edition. Gedrykt in Copenhagen, 1818. Bie Die Erfgenamen van Schultz]. Copenhagen: Schultz. 1166 pp. numbered + 20pp.

Natuurlijk bestaat er een Wikipediapagina over Hugo Schuchardt. Over zijn rol als creolist is dit hoofdstuk geschreven: Baker, Philip & Peter Mühlhäusler. 2007. “Creole linguistics from its beginnings, through Schuchardt to the present day.”, in Charles, I.S. (ed.) Creolization: history, ehtnografy, theory. Walnutt Creek, CA: Left Coast Press. p. 84-107. Ik heb het helaas nog niet in handen gekregen.

Di hou creol – 9. Nederlands Creools in historische romans

In mijn podcast heb ik speciale afleveringen over het dagboek van de archeologische expeditie van J.P.B. de Josselin de Jong (1922-1923), maar vooral ook gewone afleveringen. De laatste hiervan gaat over drie literaire werken waarin het Maagdeneilands Nederlands Creools verwerkt is in historische romans.

Allereerst heb ik het over Pelican Bay van Nelleke Noordervliet (Amsterdam/Antwerpen: Augustus, 2002). Op p. 10 zijn de Creoolse zinnetjes te vinden. De bronnenlijst staat op de pagina’s vanaf 411.

Vervolgens ga ik in op de aantekeningen van Frans Kellendonk (1951-1990) voor de roman met de werktitel Leeuwendalers (aldus Kellendonk) of Pro Justitiae (aldus de titel in het Archief Kellendonk, Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, UB Leiden). Datering van de teksten heb ik in de podcastaflevering niet genoemd. De brief van Kellendonk aan de directeur van het Fonds voor de Letteren, Sylvia Dornseiffer waarin hij om een werkbeurs vraagt is van 21 april 1987. Hij vertelt hierin dat hij ongeveer een half jaar aan deze roman aan het werk is. Wikipedia Frans Kellendonk.

Aantekeningen van Frans Kellendonk voor zijn onvoltooide roman Leeuwendalers (Archief Frans Kellendonk, Bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Gepubliceerd in Cefas van Rossem (2017) ‘Die engel ha lastaen sie snie-mes over die aarde’ In: Nieuw Letterkundig Magazijn jrg. 35, nummer 1, mei, pp. 30-36.)

De roman is losjes gebaseerd op de moord op Kerwin Duijnmeijer die plaatsvond in de nacht van 20 op 21 augustus 1983. Wikipedia Kerwin Duinmeijer. Daarnaast vertelt Kellendonk zich te hebben laten inspireren door het toneelstuk Leeuwendalers van Joost van den Vondel (1647-1648).

De roman Night of the Silent Drums, A narrative of slave rebellion in the Virgin Islands van John L. Anderson (New York: Charles Scribner’s Sons, 1975) gaat over vrijheidsstrijd van tot slaaf gemaakten op het eiland St. John in 1733. Een samenvatting van deze strijd die duurde van 23 november 1733 tot mei 1734, staat op een Engelstalige Wikipedia-pagina hierover.

De belangrijkste gebeurtenissen van deze opstand vonden plaats rond Coral Bay, aan de oostkant van St. John, waar ook het fort van de Deense koloniale macht te vinden was. Illustratie is een landkaart uit 1720 die te vinden is op de eerdergenoemde Wikipediapagina.

Marjoleine Kars’ Bloed in de rivier is het zeer uitvoerige verslag van de vrijheidsstrijd van de tot slaaf gemaakten aan de Berbice-rivier (1763). Het is uitgegeven bij uitgeverij Atlas Contact.

Luister hier 9. Nederlands Creools in historische romans

Slave Talk and Dutch Creole in ‘Night of the Silent Drums'(1975)

During the weekly Zoom conversations between Gilbert Sprauve, Gylchris Sprauve, Peter Stein and me, about our project to present examples of Virgin Islands Dutch Creole to the people of the US Virgin Islands, It is not our goal to only show texts, but also to add historical and cultural context. There is a lot of textual material from the eighteenth century, however almost all of these texts were made by missionary translators. Only one ‘Farewell song’ by an enslaved person is known, the so called ‘E Samja-song’ which was published in Die Creol Taal (1996). There must have been more which for instance can be found in the records which are stored in Danish Royal Archives which are online available (here). Since the first mention of Virgin Islands Dutch Creole is form 1736, it is well possible that this language was used during the rebellion of the enslaved and maroons of St. Jan in 1733, which was one of the earliest and longest slave revolts in the America’s (Wikipedia).

With regard to this rebellion, Gilbert Sprauve reminded me to the novel Night of the Silent Drums, a narrative of slave rebellion in the Virgin Islands. It was written by John L. Anderson and was published in 1975. In The Netherlands, where I live, the work is very hard to find and so I ordered one from a bookshop on the other end of the world, Sydney, Australia.

Gilbert Sprauve obtained his copy in the 1970s from the author, and I hope he will tell me more about this contact. Because when my copy arrived, it appeared that it had a glossary of eight pages, containing words and expressions in Dutch Creole and Slave Talk. That’s strange, I never heard the latter with regard to the Dutch Creole of the Danish Westindies. In the text we quite often find words from Dutch or Dutch Creole, in italics or in roman, not only as the language of enslaved people or of the local colonists, but also als common words in the plantation community. For instance the word gut (Dutch Creole) for ‘Ranges in meaning form “gully” to “ravine”, like the arroyi of the American southwest and the wadi of North Africa.’ (Anderson 1975: 397), which is from Dutch goot ‘gutter, drain, ditch’.

The novel is a narrative about the run-up to and the story of the rebellion of the enslaved and maroons on St. Jan in 1733. A Wikipedia article about it can be found here. The reader follows several character, which are mentioned in a separate register. It was eye opening to read about these persons, whom I already ‘knew’ from the research of the censuses of the end of the 17th century for my article ‘Maternity visit to St. Thomas’ and the chapter about it in my Ph.D. dissertation: Van Stell, Stallart and Van Beverhout (Bewerhout in the novel). However it was even more interesting to get to know the enslaved ones by name and history. Although it is presented as a novel, the story of the rebellion comes to live when you know the characters are not fictional.

On the dust jacket, the editor presents some information about John L. Anderson and his relation to St. John.: ‘John L. Anderson first became interested in the story of this slave rebellion in 1935 when he and his wife spent theri honeymoon on the then little known island of St. John, Since that time, learning about the rebellion has been a hobby which has occupied much of his spare time. To do his research, he has had to learn to read nine different languages all in the 18th century handscript and he has traveled widely, discovering material in places from the Danish Archives in Washington D.C., in Berkely, California, to the Moravian Church Archives in Bethlehem, Pennsylvania, to Copenhagen and the Library of the King of Denmark.’

This is interesting: I have never thought about Danish Archives in Washington D.C. to get to know more about the rebellion! Unfortunately, the sources Anderson used to write the novel are not mentioned in the book. The names of the inhabitants of St. Jan and those of the plantations, can be found quite easy, but what puzzles me is the source of the Creole texts Anderson presents.

In several occasions Dutch Creole or Slave Talk is used in conversations, but it is not clear (enough) to me which dialects of Creole are indicated by these names. For instance Hem sa rie ‘he shall ride’ is called Dutch Creole, while Ju slaaf sa rie? ‘Your slave shall ride? is Slave Talk. The sentences are not from eighteenth century sources I know and it is even unclear for me whether he had the possibility to use the wordlists of De Josselin de Jong and Hesseling. Did perhaps Gilbert Sprauve help Anderson? I will ask him during our next meeting.

Two articles for wide audience

Recently I published two articles with regard to a wide audience about Virgin Islands Dutch Creole.

Rossem, Cefas van. 2021b. “Vijf snippers, Virgin Islands Dutch Creole als taal van de tot slaaf gemaakten’. In: Ex Tempore, 40, 3, p. 266-279. >EN: Five snippets, Virgin Islands Dutch Creole as the language of the enslaved.  >Short article for an audience of historians, containing five examples of manuscripts as an introduction to Virgin Islands Dutch Creole.

Rossem, Cefas van. 2022. “Van kaakel tot De Windt”. In: Marc van Oostendorp & Simone Wolff (eds) Het dialectendoeboek, de schatkamer van 90 jaar Meertens Instituut. Unkn.pl.: Sterck & De Vreese. p. 131-136.

This one is a chapter in book for a wide audience about f.i. linguistic, onomastic and folklore sources which were and are made available by Meertens Institute to study for instance Dutch dialects. The chapter is about the use of online databases to study dialect and family names to study the origin of Dutch input in Virgin Islands Dutch Creole.

Old hymn in recent concert!

Just like last year tenor Gylchris Sprauve, who is one of the initiators of the project to bring Virgin Islands Dutch Creole to live for todays community of the US Virgin Islands, sang one of the oldest hymns in Virgin Islands Dutch Creole. Even more interesting: the hymnbook in which this song was written contains the oldest Creole hymns we know.

Last year, Gylchris Sprauve performed in a Thanksgiving concert Noe allmaal Volk dank God from the 1774 hymnbook by the Moravian Brethren. This year it was Loof God Jend’r Christen allmaal Glik from the same hymnal.

Loof God, jend’r Christen allmaal glik, – Praise God, you (PL) Christian all equal

Nabov si hoogste Troon – On his highest Throne

Di ka open si hemelrik – It has opened his heavenly kingdom

En ka gie ons si SOON! – And has given us his Son!

The complete text can be found here on page 36-37.

Di hou creol: De Josselin de Jong en de Quebec Line.

Van de historicus Jos Niewold kreeg ik interessante informatie over de door De Josselin de Jong genoemde Quebec Line en het schip de Guiana . Door zijn speurwerk weten we nu dat het bedrijf de Quebec Steamship Company heette. Via deze site is te zien dat het tussen 1907 en 1908 lijndiensten onderhield met drie schepen. De Bermudian en de Trinidad voeren tussen New York en Bermuda, de Trinidad had bovendien een ronde van New York, via Bermuda, naar Nassau (Bahama’s) en vervolgens rechtstreeks terug naar New York. De Guiana, het schip waarmee in 1922 waarop De Josselin de Jong en het echtpaar Hatt naar St. Thomas voeren, onderhield in deze periode een route van New York naar St. Thomas, St. Croix, St. Kitts, Antiqua, Guadeloupe, Dominica, Martinique, St. Lucia, Barbados en ten slotte naar Demerara, het middelste deel van het huidige Guyana. Tot aan het begin van de negentiende eeuw was dit gebied een van de drie Nederlandse koloniën. In de aangrenzende gebieden Essequibo en Berbice werden overigens respectievelijk Skepi Dutch Creole en Berbice Dutch Creole gesproken.

Tussen december 1911 en mei 1912 wordt de route van de Guiana ook gevaren door de Parima en de Korona (What’s in a name!). In latere brochures komt de naam Quebec Steamship Co. niet meer voor. Werd de naam Furness, Withy & Co eerst nog genoemd onder de naam Quebec Steamship Company, vanaf 1920 zien we alleen nog Furness Bermuda Line. Een brochure met de afbeelding van de Guiana staat hier.

Bij de brochure van Quebec Steamship Company op de bovengenoemde website is nog meer informatie te vinden. De Guiana is gebouwd in 1907 en gesloopt in 1925. Het was 345 feet (ruim 105 meter) lang en had een volume van 3.657 gross register tonnage.

In het artikel Quebec Steamship Line keeps St. Croix in the forefront of shipping (Elizabeth Rezende, The Virgin Islands Daily News, September 22, 2016) staat een foto uit januari 1923 van de Guiana die zojuist vanuit St. Thomas in Brooklyn is aangekomen. Op het schip ligt een pak sneeuw. Dat is wel heel kort na de reis die De Josselin de Jong hiermee maakte. Elisabeth Rezende schrijft over de Quebec Steamship Company:

Since 1874, the Quebec Gulf Ports Steamship Company continually had provided services between the ports of the St. Lawrence River. Looking to expand, their first breakaway route from the St. Lawrence River area was a shuttle between New York and Bermuda, transporting foodstuffs and dry goods to Bermuda and bringing back onions.

Six years later, with a desire to expand shipping to other West Indian islands, the company included the Windward Islands in its routes. With an eye to providing service to two of the focal ports in the Caribbean, Barbados and Demerara, it then scheduled interval ports of call: St. Thomas, St. Croix, St. Kitts, Antigua, Guadeloupe, Dominica and Martinique. In order to provide service, the company in 1907 had acquired three midsize sister ships, each between 3000-4,000 tons: the Korona, Parima, and Guiana. (Rezende, 2016)

Het hele artikel is overigens leuk om door te nemen. Zo lijkt het zeker zo te zijn dat de reizen met De Quebec Line er misschien wel de aanleiding voor zijn geweest dat cruises naar het Caribisch gebied populair werden.

Di hou creol: De Josselin de Jong komt aan op St. Thomas (13 december 1922)

In deze aflevering van De Josselin de Jongs Dagboek betreffende de expeditie naar de Antillen lees ik de aantekeningen voor van 9 tot en met 13 december 1922. Na een, volgens mij, saaie reis bij een vervelende maatschappij, komen de archeologen aan op St. Thomas en direct worden ze als belangrijke personen gezien.

De tekst was redelijk saai… Toch heb ik een paar items die wat extra aandacht kunnen krijgen. Zo worden Hatt en De Josselin de Jong uitgenodigd om op 14 december kennis te komen maken met de gouverneur. Dat is op dat moment Henry Hughes Hough. Meer informatie over hem is te vinden op de Engelstalige wikipedia-site over hem. Die vindt u hier.

Henry Hughes Hough in 1916.jpg
Hough in 1916 (Via Wikipedia)

Vervolgens lezen we dat De Josselin de Jong en het echtpaar Hatt zullen logeren in het Grand Hotel in Charlotte Amalie. Meer informatie vindt u hier.

File:Former Grand Hotel Charlotte Amalie.JPG - Wikimedia Commons

Grand Hotel, Charlotte Amalie, US Virgin Islands (Bron: Wikimedia Commons)

Ten slotte lezen we dat men zal gaan samenwerken met mensen die ook al voor De Booy werkten. Over deze Nederlands-Amerikaanse archeoloog die als eerste serieus archeologisch veldwerk verrichtte naar de oudste bewoners van St. Thomas en St. Croix is informatie te vinden op deze wikipedia-site.

Theodoor Hendrik Nikolaas de Booy.png
Theodoor de Booy (Bron: The National Cyclopaedia of American Biography, Volume XVII, 1920, pages 314–315)

Di hou creol: Acht interessante pagina’s (De woordenlijsten van Frank Nelson, deel 1)

Een van de meest interessante teksten in het  Virgin Islands Dutch Creole is de acht pagina’s tellende woordenlijst die de Amerikaanse onderzoeker Frank G. Nelson in 1936 maakte. De woorden en teksten in dit typoscript laten, tien jaar na het veldwerk van De Josselin de Jong, het werkelijk gesproken Virgin Islands Dutch Creole zien.
Maar… toen wij in 1993 op zoek gingen naar de lijst om op te nemen in Die Creol Taal, 250 Years of Negerhollands Texts, stond ons een aantal bijzondere verrassingen te wachten. In drie delen nemen we de lijst en de verhalen eromheen door.

Deel 1: Acht interessante pagina’s gaat over het eerste lijstje dat we in handen hadden, maar we eindigen met een cliffhanger: er blijkt meer te zijn…

De aflevering kunt u hier beluisteren.

Het verhaal rond het veldwerk van Nelson is verschenen in Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde (2012) en in mijn dissertatie The Virgin Islands Dutch Creole Textual Heritage (…) (2017). Zie de links naar deze teksten aan de rechterkant van deze website.

De allereerste bestelling van een kopie van de korte Nelsonlijst door Hans den Besten (1984).

Fragment van eerste pagina van de korte woordenlijst van Nelson.

Reinecke (1937: 425)

Ondertekening Frank G. Nelson, eerste brief aan Hans den Besten (20 oktober 1993)

De Josselin de Jongs laatste dagen in New York, 1922

Er moest weer wat ritme komen in het uitbrengen van de podcasts en dat kon het beste met afleveringen over het prachtige dagboek van J.P.B. de Josselin de Jong. Op 7 november kwam de aflevering van Di hou creol uit over de dagen 3, 4 en 5 december 1922 en gisteren, 14 november kwam die over 6, 7 en 8 december op het net.

De podcast afleveringen staan hier (3, 4 en 5 december 1922) en hier (6, 7 en 8 december 1922).

Opmerkingen over archeologie: Pachacmac, Aggri-kralen, Stratigrafie.

American Museum of Natural History: Curatoren, .Charles W. Mead, Clark Wissler, Clark Wissler, Pliny Earle Goddard, Nels C. Nelson,

Gustav Heye Center: website, Wiki over G.G. Heye Center, Georg Gustav Heye, Frederick Webb Hodge, Mark Raymond Harrington, Boek over Cuba van Harrington.

Columbia University: Franz Boas.

Expeditiegenoten: Gudmund Hatt, Emilie Demant Hatt, J.P.B. de Josselin de Jong.

Werkgever van De Josselin de Jong: Hendrik Juynboll.