6 februari 1923
De gebroeders Prince

Dinsdag 6 Februari
Zonnig weer, geen regen. Van ochtend verschenen Georges, Jeremiah en Rasmussen, de twee laatsten veel te laat: Rasmussen was natuurlijk de schuldige, Jeremiah had volgens afspraak in de stad op hem gewacht om hem te helpen de werktuigen naar Krumbay te brengen. Hatt zette ze aan ’t werk om ruimte te maken op de schelphoop aan de andere zijde van de baei en ik ging mee met den reverend Rom[-m]ig (Hernhutter) die ’s morgens naar ons toe was gekomen, om 8 uur al, omdat het terrein aan zijn kerk behoort en we hem permissie hadden gevraagd daar te graven. Hij wist een paar oude negers die “Creole” kenden, de gebrs. Prince[1] aan Mosquito bay. Na al-
69
daar eenigen tijd gewacht te hebben to de twee oude heeren hun ontbijt genoten hadden (dat nemen ze na eerst een poos op ’t veld gewerkt te hebben), hadden we een onderhoud met hen. Een van hen kan lezen en bleek den door Schuchardt gepubliceerde brief in negerhollandsch volkomen te begrijpen. Zij zijn waarschijnlijk wel bruikbaar, al hebben ze hun vroegeren woordenschat niet meer paraat. We spraken af dat ik morgen om 10 uur terug zou komen en dan zou zien wat ik met hen kon doen. Ik hoop ze aan ’t vertellen te kunnen krijgen. Ze hebben echter weinig tijd: meer dan 2 uur per dag meenen ze niet te kunnen missen. Maar als ’t werk vlot en hun bevalt zullen ze vermoedelijk wel meer tijd hebben. Misschien werkte de aanwezigheid van hun parson vandaag niet gunstig. Na het interview ging ik met R. mee naar zijn huis – onderweg bekeken we de school en woonden de les een poosje bij – waar hij mij 3 boeken in negerhollandsch toonde: een psalmboek, een nieuwtest. en een Jesaja in ms. Vanmiddag naar de opgraving en later nog een kort bezoek aan Mosquito bay gebracht om dat terrein uit een arch. oogpunt te bezichtigen: weinig belovend. Ondertusschen was het opruimingswerk op de schelphoop afgeloopen en had Hatt om te beginnen 3 vakken afgepaald. Na 5 een heerlijk bad in Krumbay, zonder sandflies, muskieten en vermoeiende*n* klimtocht, daar de schelphoop maar + 5 minuten gaans van onze woning is.
[1] De Josselin de Jong (1926: 7): ‘XIV-XVI door Prince (Nisky, St. Thomas)’ Hij noemt dus maar één van de broers.
Op 6 februari heeft De Josselin de Jong met twee broers gesproken. Tijdens dit gesprek heeft hij de Creoolse brief die Anthon Magens aan Hugo Schuchardt geschreven heeft voorgelegd en wellicht voorgelezen. De brief werd door Hugo Schuchardt gepubliceerd in het Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 33 (1914), pp. 123-135, met een Nederlandse vertaling op de pagina’s 135-142 van D.C. Hesseling. Onder Publicaties in de rechterkolom is een link naar dit artikel met de brief te vinden.
In de brief wordt in het Creools het dagelijks leven op St. Thomas beschreven van ochtend tot avond. Daarbij beschrijft de arts Magens een spectaculair verhaal over een meisje met buikpijn dat uiteindelijk bevalt van een kindje…
Reverend Romig nam De Josselin de Jong mee naar huis om hem daar drie boeken in het Nederlands Creools te tonen. Welke boeken het precies zijn, is moeilijk te zeggen. Vanwege zijn werk binnen de Moravische Broedergemeente, verwacht ik dat het gaat om het psalmboek van 1784 (Psalm-boek voor die tot die Evangelische broeder-Kerk behoorende neger-gemeenten na S. Croix, S. Thomas en S. Jan. Barby: 1784. 322, [46] pp.)

en het Nieuwe Testament uit 1802 (Die Nieuwe Testament van ons Heere en Heiland Jesus Christus, na Creol-Taal. Barby: 1802. [4], 812, [8] pp)
.

Het zijn de meest recente gedrukte teksten binnen deze gemeente. Het manuscript van Jesaja is voor mij een onbekende tekst. De meest productieve Duitse vertaler, Johann Böhner noemt het in een brief in 1773 wel als een van zijn vertaalproducten:
‘(…) die bibel ist mir ein heilig und unschazbares Buch, und ich habe mein ver
gnügen im übersezen dar aus ins Criolische, habe auch das Neue testament in mehr
als ein Exemplar gebracht, die 4 Evangelisten in Harmonie, die Apost ge[schichte].
und sow[weiter]. das 1 buch Mose, die Psalmen aus dem Proph Jesaia, (…)‘ (Böhner
June 15, 1773)
Wanneer De Josselin de Jong later deze tekst gaat transcriberen, doet het mij bovendien vermoeden dat er twee exemplaren moeten (hebben) bestaan: een achttiende-eeuwse en De Josselin de Jongs versie. Tot op heden heb ik ze niet kunnen vinden!
Aan de brief die door Schuchardt is gepubliceerd, wijdde ik de de volgende aflevering van mijn podcast Di hou creol: De brief van Anthon Magens.

Tussen 19 november 2022 en augustus 2023 toon ik op deze website mijn transcriptie van het dagboek van de expeditie van De Josselin de Jong; elke dag honderd jaar nadat het door hem in zijn notitieboek is genoteerd. Meer informatie is op deze website te vinden, net als zijn publicaties die online beschikbaar zijn.
This diary is of course not only of interest or importance for Dutch speakers, but especially for the people of the US Virgin Islands and the islands which were visited by De Josselin de Jong. This is why I try to use my spare time to translate this text into English.
De tekst is (voorlopig) zonder aanpassingen genoteerd en laten dus de taal en de opvattingen zien zoals die aan het begin van de twintigste eeuw gewoon waren. Verschillende pagina’s van dit dagboek zijn inclusief aanvullend materiaal door mij voorgelezen in de podcast Di hou creol en de desbetreffende afleveringen zijn via deze website natuurlijk nog te beluisteren en te bekijken.
Het dagboek wordt bewaard in de Universiteitsbibliotheek Leiden, in de collectie Koninklijk Instituut voor Taal- Land- en Volkenkunde:
Josselin de Jong, J.P.B. 1922-1923. Dagboek betr. expeditie naar de Antillen 19 Nov. 1922 – 24 Aug. 1923. 20 x 29 cm, 157 pp.
>EN: Diary on expedition to the Antilles. >UBL: Collection KITLV, signature: OR 385 (5-6).











Dagboek betr. expeditie naar de Antillen, 19 Nov. 1922 – 24 Aug. 1923
7 februari 1923
Wederom een stukje uit de Magensbrief
Woensdag 7 Februari
Zonnig weer, geen regen. Rasmussen in niet verschenen. Hij had gisterenmiddag zijn loon voor de 2 eerste dagen v.d. werk gevraagd omdat hij nu in de stad huisde (om dichter
70
bij Krumbay te zijn) en eten moest kopen. Die 2 dollar had hij gekregen, samen met een ernstige vermaning ons [-*..*] geen dwaasheden uit te halen, hetgeen hij beloofde. Maar de 2 dollar zijn hem blijkbaar de baas geweest. Er is dus vandaag alleen met Jeremiah en Georges gewerkt. Van 10-12 bracht ik bij den ouden Prince door, met wie ik Magens’ brief aan Schuchardt gedeeltelijk doorwerkte[-*..*] hem daarbij allerlei inlichtingen vragend. Ik hoop hem aan ’t vertellen te krijgen; hij begint steeds meer belangstelling te toonen. Morgen wordt het voortgezet. ’s Middags tot 3.30 alleen op het terrein, terwijl Hatt “rustte”, maar aan die rust had hij niet veel daar de oude Mon Santo hem te pakken kreeg en hem ’t huis wou laten zien. Na half 4 zijn we samen een heuvel in de buurt gaan exploreeren waar volgens Petit een schelphoop moest zijn. We vonden die ook en [-*..*] op den grond een paar bijlklingen (steen) benevens één kleine potscherf. De heer Daniel (zwart), manager v. het “telegraph station” aan Krumbay (waar de kabel naar Porto Rico ligt) deelde ons mee dat er nog een schelphoop in de buurt is. Een van zijn personeel zal ons daar morgen heen brengen. Georges weet een “lady” in de stad die keurig kan wasschen. Morgen zal hij inlichtingen meebrengen omtrent prijs.
Hieronder een verhaaltje in het Creools dat in de brief van Anthon Magens aan Hugo Schuchardt voorkomt. De Nederlandse vertaling is te vinden in het artikel van Schuchardt uit het Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde dat via een link aan de rechterzijde van deze webpagina te bezoeken is.
Mi sa nu probee fo gi ju en gedakten fan di follek sender, an mi sa nu fotell ju wa ha geskidt di ander aster-meendagg.
I ill try now to give you a thought of the people, and I will now tell you what has happened the other afternoon.
Di ander dunko djis aster di skot ka skidt fo akt iir mi ha lo ném en keir na mullé-shi.
The other evening, just after the shot was shot for eight o clock, I was taking a turn to the lower side.
Wanæ mi ha rák as fær as groot-straat, mi ha drei op fo bakafaal, an mi ha hoor en groot uprú mi tuduun.
When I arrived as far as Grootstraat, I turned on to bakafaal and I heared a big uproar was going on.
Di follek sender ha currii op an neer di straat, sen a lo skrew, mi no ka ferstann wa di ha wees te mi ha kri kann-sender.
The people ran up and down the street, they were screaming, I had not understand what it was until I got ‘kann sender’.
Dann mi ha kik benné en kleen huus full mi follek; di door ha wees hopó, an en frow ha stann na di door, lo skrew an kriss: “mi kinn lo dodt, mi power kinn lo dodt”.
Then I looked down a small house full with people; the door was open, and a woman stood in the door screaming and crying: ‘My child is dying, my poor child is dying’.
Mi ha fragg wa skort am.
I asked wat was wrong with her.
Am no ha antoat mi, am a howd-an fo skrew an hiil.
She did not answer me, she kept on screaming and crying.
Dann mi ha lo na benne fo kii di mænschi misellef.
Then I went down to look the girl by myself.
Mi ha fenn am na bó di flu lo rool an skrew su wæ as schi ma.
I found her on the floor rolling and screaming as ‘wae’ as her mother.
Dann een van di frow sender wa ka stann desbi di mænschi ha sæ: “Na big am fo ha better fo ruup en dokter; am sa weet een maal wa du am.”
Then one of the women who had stand close to the girl said: “it is the belly to have better to call a doctor; he will know just what to do”.
Dann schi ma ha beginn fo flukk an damineer an sæ: “ju liik, ju foflukte kapman, mi kinn na en frei kinn, am ló na kerrek an am no speel mi man, so wáplæ am sa ka krii big? ju no sa bederreg mi kinn schi karaktee, mi sa draa ju forren di bifó fo mak schi naam frei.
Then her mother began to curse and ‘damineer’ and say: ‘Ju ‘look’, you cursed hangman, my child is a good child, she goes to church and she does not play with men. So where she would get a belly? You will not spoil my childs character, I will turn you ‘forren’ the before to make her name good.
Mi sa gi ju en butt mi en skop, ju ferdammte teff.”
I will give you a strike and a kick, you damned bitch.”
Dann di ander frow ha sæ: “ju ondangbar bæs, mi ha sæ ju die waargeit, wa du ju kinn, an ju no wæ gloof.
The the other woman said: “You, ungrateful beast, I told you the truth, what your child did and now you don’t believe.
Ju sa kii, am sa krii na en iir-tidt en kinn, dann ju sa gloof. Mi sa kumitt it ju huus.”
You will see, she will get in an hour a child, then you will believe. I will come out out your house”.
“Mi sa lapp ju eers ju lo.”
“I will hit you before you go.“
“Du di as ju kann.”
“Do it as you can.”
Di pestakel ha wees so groot, sen ha skrew “moodt, di twee grow lo mattá een mi makander, ruup di citéres.”
Het spektakel was zo groot, dat ze schreeuwden ‘moord!, de twee vrouwen zijn bezig elkaar te vermoorden, roep de politieagenten’.
Dann am ha gi am di lapp, an sen ha fang fegeté an am ha skaer am naken an gi am en bit na schi finger an sae: ‘naem di da nu fo wa ju ha sae tegen mi kinn.’
Then she gave her the blow and they started to fight and ripped her naked and give her a bite in her finger and said: ‘take this then now for what you said to my child’.
Di citéres ha ko an frá: na wa ka geskidt?” an sender ha neem sender fo draa na fort.
The police men came and asked: Then what has happened? And they took them tob ring them to the fort.
Na di tidt sen ha ka raak na fort, en frow a kurrii fo beddel di bifo fo lo stann di frow ko kii schi kinn lo dodt.
When they got tot he fort, a woman ran to beg the judge to let the woman go to see her dying child.
Di bifo ha sæ di citéres lo mi am fo kii wa du di kinn an bring am weran, an kri en dokter oká fo kii di sikk.
The judge told the police to go with her to see what her child does and bring her back afterwards, and get a physician also to see the sick person.
– So sen ha krii bénné di plaas, se ha hoor di mænschi lo steen; di dokter ha lo na bénné an pratt mi am, an na di sellef tidt di kinn ha geboren.
When they came on the place, they heard the girl moan; the doctor went inside and talked to her, and at the same time the child was born.
Dann di má ha beginn fo slá di mænschi, an di citéres mi di follek sender ha neem am wæfo no mattá di mænschi.
Then the mother started to hit the girl, and the police and the people took her in order not the kill the girl.
Tussen 19 november 2022 en augustus 2023 toon ik op deze website mijn transcriptie van het dagboek van de expeditie van De Josselin de Jong; elke dag honderd jaar nadat het door hem in zijn notitieboek is genoteerd. Meer informatie is op deze website te vinden, net als zijn publicaties die online beschikbaar zijn.
This diary is of course not only of interest or importance for Dutch speakers, but especially for the people of the US Virgin Islands and the islands which were visited by De Josselin de Jong. This is why I try to use my spare time to translate this text into English.
De tekst is (voorlopig) zonder aanpassingen genoteerd en laten dus de taal en de opvattingen zien zoals die aan het begin van de twintigste eeuw gewoon waren. Verschillende pagina’s van dit dagboek zijn inclusief aanvullend materiaal door mij voorgelezen in de podcast Di hou creol en de desbetreffende afleveringen zijn via deze website natuurlijk nog te beluisteren en te bekijken.
Het dagboek wordt bewaard in de Universiteitsbibliotheek Leiden, in de collectie Koninklijk Instituut voor Taal- Land- en Volkenkunde:
Josselin de Jong, J.P.B. 1922-1923. Dagboek betr. expeditie naar de Antillen 19 Nov. 1922 – 24 Aug. 1923. 20 x 29 cm, 157 pp.
>EN: Diary on expedition to the Antilles. >UBL: Collection KITLV, signature: OR 385 (5-6).
Leave a comment
Posted in De Josselin de Jong, KITLV, Manuscripts, metalinguistic comments